Jan Buisman: “Voor de gewone man was het altijd slecht weer”

“Toen ik in Borculo woonde werd ik tijdens hevig onweer altijd wakker gemaakt. Ik mocht niet voor het raam of in de buurt van de schoorsteen staan. Wij zaten aan tafel in het midden van de kamer met de lamp aan. Soms wel drie uur lang. Na het onweer stak ik mijn neus uit het raam. Je rook dan vrijwel altijd dat een boerderij in brand stond. Dat kon je van ver ruiken. De volgende dag fietste ik er heen om te kijken.”

Jan Buisman, schrijver van de serie ‘Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen’ kreeg zijn interesse voor het weer al van jongs af aan mee. ,,Het weer heeft mij altijd achtervolgd. In Borculo waren dat de warme zomers met zware onweersbuien en na mijn verhuizing naar Den Haag in 1937, waren dat de strenge winters.”

Vanaf 1938 noteerde Buisman dagelijks weergegevens en vanaf zijn 15e werd de jonge Buisman toegevoegd aan het vrijwillige waarnemerskorps van het KNMI. ,,Dan vulde ik kaartjes met gegevens in, zoals het tijdstip waarop de slagregen begon. Ik hoopte dat dan ergens de bliksem insloeg, want dan kon ik er naartoe om alles op te schrijven. Den Haag had echter weinig boerderijen.”

Buisman mag dan een buitenmens zijn, de geschiedenis van het weer en klimaat trok steeds vaker zijn aandacht. Ondanks zijn grote interesse in de biologie, de meteorologie en theologie, studeerde hij in 1968 af als historisch geograaf. Na de boeken die hij publiceerde over het weer in het verleden, begon hij in 1988 aan zijn levenswerk: ‘Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen’.

Geschiedenisherschrijving

,,Ja het klopt, ik herschrijf de geschiedenis”, zegt Buisman na een korte aarzeling. ,,Historici hebben het weer verwaarloosd. Ze hielden zich tot halverwege de jaren 70 niet bezig met het weer en het klimaat. Ze gingen er vanuit dat het klimaat nooit veranderde. Pas rond 1980 begonnen Harry Geurts en Aryan van Engelen met baanbrekend onderzoek naar het weer in het verleden. Het weer was voornamelijk van belang voor de gewone man. En historici interesseren zich niet voor de gewone man”, zegt Buisman.

Als voorbeeld noemt hij de watersnoodramp van 1342. ,,Dat was de grootste overstroming in Midden Europa in de afgelopen duizend jaar. Het was een ongelofelijke ramp!! Een lagedrukgebied trok over Engeland, stagneerde boven Duitsland en regende helemaal uit. Honderden watermolens spoelden weg en er volgde een energiecrisis. Maar in de geschiedenisboeken vind je daarvan geen letter terug.”

Hendrik Avercamp

Een ander voorbeeld is de slag bij Nieuwpoort in het jaar 1600. ,,Die werd op het nippertje gewonnen door Maurits. Stadhouder Maurits was beter, maar een belangrijke bijkomende factor was het weer. Door de harde tegenwind kregen de Spanjaarden zand en geweerrook in de ogen. En dat is mijn bedoeling: historie en meteorologie bij elkaar te brengen.”

Houd je kleintjes droog!

En daarmee is de 78-jarige Hagenaar zo’n 40 tot 50 uur per week aan het werk. ’s Ochtends om half acht begint Buisman en tot half één werkt hij door. ,,In de middag ga ik lekker de stad in of doe ik wat anders. ’s Avonds werk ik weer een aantal uur. In het weekend doe ik het rustig aan, dan slaap ik een uurtje uit.”

Buisman zegt nooit met tegenzin aan zijn serie te werken. ,,Ja soms na elf uur ’s avonds, dan ben ik wel eens moe en stop ik ermee. Maar het kan zijn dat ik midden in nacht ineens een ingeving krijg voor bijvoorbeeld een goede kop. Dan ga ik er meteen uit en noteer ik dat. De volgende dag vind ik een briefje bij de PC. Eén keer per week reist Buisman naar het KNMI. Daar gaat hij de archiefkelder in en kopieert hij de bronnen die thuis worden onderzocht. Woord voor woord pluist hij ze uit, totdat alles duidelijk is.

De bronnen van Buisman gaan terug tot het jaar 764. Maar de bronnen van voor 1300 zijn karig. Na de uitvinding van de boekdrukkunst rond 1450 neemt het aantal bronnen snel toe. Steeds meer burgers gaan aan het schrijven en vanaf de 15e eeuw moet Buisman alle zeilen bijzetten om niet in oceaan van feiten te verdrinken. ,,Die burgers waren eigenlijk de eerste weeramateurs. Mensen die het weer louter vanwege het weer bijhielden en niet vanwege hun werkzaamheden”, zegt de historicus. Hij vertelt dat de gewone man het niet makkelijk had in die tijd. ,,Voor hem was altijd slecht weer. Het was of te koud of te warm of de grachten stonken, er was altijd wat. De rijken zaten warm en waren beschut. Die hoorde je niet klagen.”

,,Ik ben nu bezig met Josias Eckhardt, de rentmeester van de Domeinen van de prins van Oranje te Breda. De man deed metingen met een ‘open luchtthermometer’, maar de schaal begrijpen we niet”, zegt Buisman. ,,Dan was het 106 graden en was het koud en dan was het 5 graden en was het warm.” Eckhardt hield het weer bij van 1708 tot 1740, maar zijn eerste jaren zijn minder betrouwbaar. ,,Bij een bepaalde dag in juli 1740 staat er ineens een kruis en neemt een ander handschrift het over. Kennelijk is Eckhardt overleden. Die vervanger hield het maar kort vol.”

Hendrik Avercamp

Kritisch bronnenonderzoek

Buisman bekijkt de bronnen kritisch. ,,Het eerste wat je afvraagt is of de schrijver een tijdgenoot was of dat deze later leefde. Elke keer vraag je je af: hoe komt hij aan zijn informatie, is de bron betrouwbaar of overdrijft de bron.” Buisman zegt dat in Harlingen een 16e eeuwse schrijver zat, waarvan bekend is dat die stormvloeden uit zijn duim zoog.

Ook over Easton die een eeuw geleden leefde, is Buisman niet te spreken. Easton was eredoctor in de sterrenkunde en had een lijst van winters gemaakt die eeuwen terugliepen. De lijst werd tot aan de eerste wereldoorlog gebruikt door klimatologen. ,,Hij was journalist en had geen meteorologische of historische achtergrond. De lijst is corrupt. Van sommige jaren wist Easton niet hoe de winter was verlopen. Daarop stelde hij dat als winters koud of extreem zacht waren, dit ergens was beschreven. Hij definieerde de onbekende winters als normaal. Zijn lijst heeft veel normale winters.”

Jan Buisman krijgt geregeld gegevens toegestuurd van weeramateurs of andere weergeïnteresseerden. Ook met Belgische en Duitse weeramateurs heeft Buisman contact. Wanneer hij nieuwe informatie tegenkomt uit een jaar dat al is gepubliceerd, dan verschijnt dit in de herdruk, maar veel verandert er niet. ,,Zo wordt een strenge winter niet ineens een zachte winter,” zegt Buisman. Van alle bronnen maakt hij lijsten. Duizenden gegevens over aardbevingen, stadsbranden, molenbranden, strandingen van potvissen worden bij de vele weerbeschrijvingen en meetgegevens gevoegd. Uiteindelijk ontstaat de unieke serie.

Deel 5

Deel 5 verschijnt medio 2004 verwacht Buisman. Hij zegt dat het een lastig boek was dat veel tijd kostte, omdat van beschrijvingen naar instrumentele metingen werd overgegaan. ,,Er gebeurde veel in die tijd. Er was veel oorlog en ook Celsius en Fahrenheit worden behandeld. Vooral het gebruik van de verschillende thermometers betekende veel zoekwerk voor Buisman. Zo gebruikten de waarnemers tachtig verschillende temperatuurschalen.” Van Deel 6 verwacht Buisman dat deze sneller verschijnt en een periode van 125 jaar bestrijkt.

Buisman laat doorschemeren dat deel 5 een aantal prachtige onweersbuien met windhozen beschrijft. Want de 18e eeuw staat dan wel in het teken van de Kleine IJstijd, er waren ook milde periodes met goede zomers met hittegolven.

Toch krijgt de winter ruim aandacht in het boek. In de jaren 1691 tot 1698 waren de winters streng en kwamen hongersnoden voor in Scandinavië. ,,Hongersnood was tot 1800 de grootste angst van de gewone man. In 1709 pakte de winter ongekend fel uit. Het was een pracht van een koudegolf. De temperaturen daalden tot extreme waarden. Fahrenheit was net aan het experimenteren met thermometers en Cruquius deed al temperatuurmetingen in Delft.” Volgens Buisman kwam Nederland er goed vanaf. De extreem koude lucht liet ons land rechts liggen. Vooral Duitsland en Frankrijk werden getroffen door hevige kou, waarbij de temperatuur tot -30 graden daalde en de bevolking te maken kreeg met de grootste hongersnood sinds de Middeleeuwen.

Buisman zegt nog te hebben nagedacht of hij de Kleine IJstijd in 1550 zou laten beginnen. Uiteindelijk koos hij voor 1430. Vanaf dat jaar is er een reeks koude winters. Na wat temperatuurschommelingen piekt de Kleine IJstijd aan het eind van de 16e eeuw, aan het eind van de 17e eeuw en rond 1800. Met het bereiken van de 18e eeuw wordt de serie ook interessant voor genealogen. Andersom leveren genealogen informatie aan Buisman.

Zo benaderde iemand hem met het verhaal dat een moeder en zes kinderen waren verdronken in Dussen-Polder, nadat hun huis van de dijk was afgevallen. Het vooral vond plaats op 23/24 februari 1837. ,,Ik vond het een raar verhaal, maar als je het weer van die dag erbij pakt zie je dat het stormde. Daarmee is dat weer opgelost.”

Op de vraag in welk deel hij zelf het liefst wil wonen moet hij glimlachen. Maar na een kleine denkpauze weet hij zeker dat de jaren 1800 tot 1900 voor hem het prettigst zijn. ,,Er zijn veel boeken in die tijd en er werd veel gelezen. Je werd niet afgeleid door radio en televisie en er was weinig oorlog.” Ook het weer in die tijd vindt Buisman interessant, ondanks dat er minder extremen waren dan tegenwoordig.

Jan Buisman

Jan Buisman werd in 1925 geboren aan de Lekdijk bij Culemborg. Rond zijn vierde verjaardag in de winter van 1929, maakte het dichtvriezen van de Lek diepe indruk. Vlak erna verhuisde Buisman naar Borculo, waar de gerepareerde daken herinnerden aan de stormramp van 1925. Hier maakten hij de mooie zomers van de jaren dertig mee. Vanaf 1937 vestigde hij zich in Den Haag.

Zoals bij veel weergeïnteresseerden was een winterse periode aanleiding om actiever met het weer bezig te zijn. Vanaf de koudegolf in december 1938 noteerde Buisman dagelijks de opgetreden weersverschijnselen en vanaf 1940 was hij waarnemer voor het KNMI. Tot 1952 noteerde hij weergegevens. De studie meteorologie zag hij niet zitten. ,,Ik ben een buitenmens. Ik zit met tegenzin binnen. Ik wil een wolk zien en niet een blad met formules”, zegt Buisman.

Buisman die ondertussen onderwijzer was, besloot in de jaren zestig aardrijkskunde en geschiedenis te studeren. In 1968 studeerde hij af als historisch geograaf. In 1984 verscheen zijn boek Bar en Boos over zeven eeuwen winterweer in de Lage Landen. Het was het begin van zijn levenswerk: Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen. In 1988 begon Buisman aan deze grote klus en in 1995 kwam het eerste deel uit. De unieke serie beschrijvingen wordt gesubsidieerd door de Europese Unie.

Dit artikel is verschenen in Weerspiegel 12 van het jaar 2003.
Een verkorte versie is gepubliceerd in het Utrechts Nieuwsblad.